Stof en Steen

Het is bijna acht uur en het journaal begint zo. Henk zit niet zoals gebruikelijk op zijn stoel en ze gaat op zoek naar hem. Boven slapen de kinderen als een roos. Ze gaat naar beneden en ziet vanuit de eetkamer het licht in de schuur. Opgewonden loopt ze er heen en wil haar stoel aan Henk laten zien, ze doet de deur open en wil net iets zeggen, toen ze Henk vloekend achter zijn slijpsteen ziet staan. Zonder haar aan te kijken viel hij tegen haar uit. Je hebt potverdrie mijn beitel die ik nog van mijn opa geërfd bot gemaakt. Hij tiert verder, ze wil zeggen dat ze de oudst uitziende gepakt heeft, maar hij weet van geen ophouden. En dat niet alleen, mijn ijzerzaag is krom, mijn priem heeft geen scherpe punt meer, laat ik maar niets zeggen over mijn houten hamer. Henk weet van geen ophouden. Ze vindt het flauw van hem om zo te reageren.
Ze zegt venijnig dat de koffie klaar staat en dat ze als volwassen mensen met elkaar wil praten. Hij schrikt ervan, in al die jaren heeft ze nog nooit pinnig tegen hem gedaan.. Onder het koffiedrinken vraagt ze of er iets is op zijn werk. Hij verteld haar dat er een reorganisatie aankomt. Ze weten niet hoe en wat, maar wel dat er een aantal ontslagen gaan vallen. De aankomende weken zullen de leidinggevenden en de ondernemingsraad zich buigen over de te nemen stappen en eventueel sociaal plan. Ze zegt dat ie zich nu nog geen zorgen moet maken over wat er over misschien twee maanden kan gaan gebeuren. Intussen is Henk weer gekalmeerd en biedt zijn verontschuldigingen aan. Ze geeft hem een knuffel en zegt dat het haar spijt dat ze zijn gereedschap verkeerd heeft gebruikt.
Hij oppert om haar te helpen om met de handgereedschappen om te gaan. Ze veert op en zegt ‘aan de slag dan maar’. Samen gaan ze naar de schuur.